|
Schilders
van tedere tekens.
…Als schilders zijn Els en Marnix autodidacten.
Marnix woont in Tielt en Els in Blankenberge.
Samen bouwen hun beelden een eigen huis waarin de
toeschouwer zich niet alleen
thuis voelt, maar waar hij of zij voor een wijle aangenaam
kan verblijven.
Hun verschillende doeken leiden de toeschouwer doorheen de
verschillende kamers
van hun gemeenschappelijke beeldenhuis.
In dat huis leert de toeschouwer Els en Marnix kennen als de
schilders
van tedere tekens. Bij dat gegeven blijf ik even stilstaan.
Als schilders zijn Els en Marnix autodidacten.
Ze hebben geen kunstopleiding gevolgd.
Maar samen hebben ze hun eigen weg gezocht in de wereld van
de schilderkunst.
Ze hebben zich op eigen kracht ontwikkeld tot de schilders
die ze vanuit zichzelf
wilden worden. Ze hebben daarbij niet gekozen voor een
goedbedoeld amateurisme.
Ze zijn professioneel gaan werken. De studie van de
anatomie, van de kleurenleer,
van de compositie hebben ze op hun manier in de vingers
gekregen.
Ze hebben zich daarbij deskundig laten begeleiden door
kunstschilder David De Graef.
Bij hem hebben ze de bijzondere techniek van de airbrush
leren beheersen zodat ze de
mogelijkheden ervan kunnen inzetten voor de creatie van hun
eigen beelden.
Die ontstaan niet louter uit de gecombineerde techniek van
de airbrush en het
vertrouwde penseel. Ze putten ook uit de rijke bronnen van
de kunstgeschiedenis.
Ze voelen zich immers verwant aan bepaalde aspecten van de
verstilde landschappen
Van Caspar David Friedrich en het surrealisme van onder
andere Dali.
Maar nergens kopiëren ze of imiteren ze.
Ze ontwikkelen hun eigen signatuur. Stijl en techniek
domineren de scčne van hun
doeken niet. Het zijn en blijven dienende middelen, wat Els
en Marnix niet beletten
om met bepaalde schilderijen indruk te maken door een
beheersing van de techniek
die getuigt van een echt meesterschap.
Ik denk hier bijvoorbeeld aan het doek De Vleugelslag van
Els, het doek met de vliegende uil,
of aan het doek De laatste bloem van Marnix, technisch een
werk dat
aan het sublieme raakt. Maar er zijn meer werken die
technisch en stilistisch een
grote indruk maken. De man die niet van de stad hield, Het
regende licht, Verval van
Marnix; Conversatie, De lat te hoog, Straatmus van Els.
Maar de reikwijdte van de doeken van Els en Marnix gaat veel
verder dan de technische bravoure.
Hun techniek is geen harde of agressieve techniek.
Hun penseel raakt het doek aan met de grootste tederheid.
Ze behandelen het canvas als een kwetsbare huid waarop ze
met tedere vingers een
zacht en melancholisch lied van figuren en kleurentinten
componeren.
Het gebruik van de techniek van de airbrush laat hen zelfs
toe te schilderen door het
doek alleen aan te raken via de fluwelen zachtheid van de
lucht tussen hun vingers en
het canvas. Die tedere techniek stemt helemaal overeen met
hun figuratieve visie.
Ieder doek opent voor de toeschouwer een deur die hem
binnenleidt in het land van de
verbeelding. Daarom evoceren de schilderijen bij een eerste
kennismaking een
surreële wereld. De toeschouwer ervaart de doeken als een
feest voor het oog
dat op zoek kan gaan naar prachtige details :
Een klok waarvan de klepel een pluim is, een uil die een
brief naar een speciale vriend
met zijn pluimen vasthoudt, een figuur die de wijzers van
een klok wil tegenhouden,
een Eva die in een kerk de appel uit het aards paradijs komt
teruggeven,
een koppel dat al dansend in een rode gloed reikt naar een
vonk van licht,
Kortom : een veelheid aan subtiele, picturale details.
Maar al die surreële details maken van de doeken geen
vluchtheuvels.
De verbeelding kan de mens namelijk soms parten spelen en
hem of haar wegvoeren
van het contact met de werkelijkheid.
Maar de surreële verbeeldingswereld van Els en Marnix ent
zich niet op de vervreemding;
het tegendeel is waar. Hun doeken enten zich op de stam van
de menselijke tederheid.
Tederheid kan niet zonder verbeelding: zij is de zachtheid
in de dikwijls veel te harde
werkelijkheid. Het contact met de menselijke tederheid die
woont in het hart en de geest
van al wie geboren wordt op onze planeet en die, zij het met
vallen en opstaan,
probeert mens te worden en al wordende mens te blijven, dŕt
contact met die menselijke
tederheid is de echte muze van Marnix en Els.
Zo is bijvoorbeeld Els zelf aanwezig in de zelfportretten
met rugzijde.
Ze plaatst zichzelf niet op de voorgrond, maar tekent
zichzelf terwijl ze het wijde landschap
en de horizon contempleert. Er is de biografische verwijzing
naar haar opgroeide dochter
Femke in het mooie doek Verwondering. Het is de verwondering
van een kind die de
verbeelding opent waardoor de kleine mens contact krijgt met
de werkelijkheid.
Die sleutel van de verwondering blijft iedere mens nodig
hebben,
ook al hebben de jaren zijn of haar leeftijd getekend.
Die verwondering is voor iedere mens immers de
onuitputtelijke bron van reflectie.
Geen reflectie die haar heil zoekt in moeilijke en dikwijls
vergezochte abstracties,
maar een reflectie die de hand houdt aan de polsslag van het
levende hart en de
bewegende geest van de mens. Reflecties, weerspiegelingen
van ons bestaan,
tederheid van het denken, melancholie die ons zacht maakt
voor onszelf,
voor elkaar en voor de wonderen van de natuur.
Ieder doek van Els en Marnix is een kristal van reflectie –
een reflectie van het menselijke,
tedere contact met de complexe werkelijkheid.
In dat contact speelt de worsteling met de tijd een grote
rol :
Het zich langzaam voelen verglijden in de stroom van uren,
dagen, maanden, jaren.
Die worsteling wekt gevoelens op van afscheid, verdriet,
wekt herinneringen op die stapstenen zijn in de stroom van
de tijd.
Die grote werkelijkheid van ons broos menselijk vertoeven in
de tijd leidt bij
Marnix en Els niet tot wanhoop;
met en in hun doeken kleuren ze die soms harde, existentiële
realiteit
met de zachte kleuren van het licht.
Het is het tedere licht dat het menselijke bestaan verlicht
zoals Marnix laat zien in het doek
Het regende licht, of Els in haar doek Straatmus. Bij deze
doeken blijf ik stil staan…
Mijn woorden zijn niets meer dan een kleine opstap naar het
beeldenhuis van
Els en Marnix; ze zijn enkel een uitnodiging om te vertoeven
in de nabijheid van de doeken
die aan de naam schilderij waardigheid verlenen, werken die
aandacht verdienen,
die veel meer zijn dan wat verf op een canvas.
Mijn woorden zijn niets meer dan een wegwijzer naar die
picturale gedichten,
naar die tedere tekens, geschreven in de taal van het
fluwelen licht.
Mijn woorden zijn niets meer dan een warme aanmoediging voor
twee talentrijke,
Beeldende kunstenaars.
Sylvain De Bleeckere
Prof. Dr. Phil.
top |